ANNIHILATIE

Vorige maand pleegde de zoon van mijn buren zelfmoord. Hij verliet hun huis en wierp zichzelf kilometers verderop voor een trein. Levens werden doorsneden. Die dag scheen de zon ongemeen hard. En ook de dagen erna. De lucht was warm, zwanger van zomer, waterijsjes en kinderstemmetjes. Ik huilde de hele tijd in mijn auto. Met de airco aan. Ik kon, mocht alleen daar wenen. Mensen zitten nu eenmaal vol vreemde gedachtenkronkels. Ik schreeuwde, timmerde met mijn handen op het ondraaglijk hete stuur en vervloekte de zon, de lucht, de kwetterende vogels. Ik wou eigenhandig het uitdagend felgeel uit het blauwe, wolkenloze hemelbehang krabben. De hemel zou moeten huilen om zoveel verdriet. Huil dan toch, in godsnaam! Miserere!

Weggedoken achter mijn stuur beeldde ik me in hoe het leven zich voortsleepte achter hun gevel met de witte geraniums. Ik beeldde me mijn buren in, de kamers, hun huis dat nu zo vol, zo leeg was van hem. Hoe doe je in godsnaam voort als het leven ophoudt te bestaan? Hoe beweeg je je als mens door zo’n zee van verdriet heen? Kruip je, lig je verlamd? Staar je wezenloos naar het plafond? Raak je zijn spullen aan? Of loop je er juist met een grote boog om heen? Smijt je spullen? Duw je je handen in je mond? Schreeuw je woordenloos? Huil je jezelf in slaap hopend dat je ijldromen echt ijldromen waren. Ssssssttt, slaap maar, het is niets.

Ik krabbelde wat woorden op een kaartje, maar voelde me voor de rest een laf persoon. Ik kreeg last van dwanggedachten. Wat als mijn buren naar buiten zouden komen met hun gezichten vol verdriet en ik was toevallig op dat moment aan het lachen, of ik had mijn handen vol chips of lekkers? Ik had de papa al eens uit het raam zien staren en had snel de andere kant op gekeken. En zij passeerde een keer mijn auto terwijl ik achter mijn stuur  zat te huilen. Had mijn raam open gestaan, ik had haar kunnen raken, haar arm zachtjes kunnen strelen. In de plaats daarvan staarde ik naar mijn voeten. Ik kon mezelf voor het hoofd slaan.

Rouw vreet zich zombiegewijs een weg door je heen en levert je rottend over aan de aasgieren. Rouw is rauw. En eenzaam. Toch zou ik beter moeten weten. Toen mijn papa zelfmoord pleegde, was ik eenzamer dan eenzaam. Ik was net bevallen en zag weinig mensen. Mijn vader had mij al langer uit zijn leven geschreven, me gemaakt tot een voetnoot in zijn bestaan die hij misschien nog liefst van de pagina zou afduwen. Hij deed alsof ik niet bestond en ik deed hetzelfde. Annihilatie. Weinig mensen wisten van mijn pa af. Alleen in mijn donkerste momenten deelde ik eens iets, weende ik om de pijn van het niet-zijn. Mensen die er nooit zijn geweest, laten een grotere leegte achter dan de anderen. De kerst voor zijn dood vertelde ik mijn pa dat hij in de lente een kleinzoon zou krijgen. Die dag was een goede dag. Dat was de voorlaatste keer dat ik hem zag. Toen die kleinzoon drie maanden was, plaatste hij een loop tegen zijn slaap en schoot zichzelf het absolute niets in. Het voelde alsof ik geen recht had om te rouwen. Niet om mijn dode papa, niet om mijn levende papa. Alles deed pijn, maar de enige aan wie ik mijn verdriet kon toevertrouwen, was mijn pasgeboren kind. Dat is een te zwaar beladen erfenis. Dus ik slikte mijn pa opnieuw in, zoals altijd.

Maar nu dit kind. Dit zo gewilde kind, dit zo prachtige kind, … Ik dacht aan de ontelbare keren dat zijn ouders hem voorgelezen hadden, hem naar verjaardagsfeestjes hadden gebracht, hem bij wedstrijden aan de zijlijn naar de overwinning hadden geschreeuwd en de vele nachten die ze doorwaakt hadden om hem na een fuif op te halen. Zijn daad lijkt een annihilatie van het leven, een ontkenning van het bestaan, van alles. Het is te gruwelijk, te groot om te bevatten. Hoe begin je je een leven te herinneren dat nog helemaal niet aan herinneringen toe was? We stamelen: hij was nog zo jong, hij had nog z’n hele leven voor zich, het had niet mogen zijn.

Maar zijn dat troostende woorden? Schuld en schaamte doorwoekeren levens als slingerplanten. Moeten we een leven niet gewoon herinneren om wat het was, niet om wat had kunnen zijn? Moeten we niet ophouden te denken in termen van affe of onaffe levens? Levens zijn levens. Punt. En die zijn het waard om herinnerd te worden, hoe kort of hoe lang ook, hoe pijnlijk dat herinneren ook is. Onlangs vertelde een papa wiens kind plots in zijn slaap gestorven was dat mensen niet meer met hem durfden te praten. Ze konden niet door zijn zware wolkendek van verdriet heen. Zo annihileerden ze niet alleen het bestaan van zijn zoon, maar ook dat van hem.

Wat zijn we godverdomme slecht in omgaan met verdriet. Morgen kom ik uit mijn auto en ga ik naar hen toe.

2 gedachten over “ANNIHILATIE

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s